Blog Image

Along the Silk Road

Overland from the Atlantic to the Pacific

Travelling the Silk Road in 2013

Naar de “Royal Tulip”

nederlands Posted on Fri, June 21, 2013 11:19:10

De titel lijkt
te insinueren dat er bloemen wachtten aan de aankomst, hier in Alma Aty, waar
we nu onze spreekwoordelijke tent hebben opgeslagen, en de laatste
voorbereidselen treffen om terug te keren naar huis, of beter naar thuis, bij
vrouw en kinderen, en bij minder avontuurlijke – zeg maar, minder zotte –
vrienden. Neen, er waren geen bloemen bij aankomst, maar wel een schitterend
hotel, aan een vlasrouterprijsje, gelukkig maar.

Vorige woensdag
zijn we uit Bishkek vertrokken zoals gepland, en zelfs op tijd, om negen uur.
De rit naar de grens met Kazakstan was kort. Bij aankomst aan die grens stond
er, voor het eerst, een file: niet van vrachtwagens maar van personenwagens. De
auto’s druppelden voorbij de bareel, die metronomisch werd bediend door een
ijverige, stug uitziende jonge grenswachter. De formaliteiten voor het
uitrijden van Kyrgizië waren simpel, zelfs voor auto en chauffeur. De
passagiers moesten allemaal uitstappen, en te voet de grens over. De
temperatuur was aangenaam, dus viel de wandeling wel mee.

Bij aankomst in
de Kazakstan zone, mochten we allen onze wagens, netjes naast mekaar, aan de
kant oplijnen, naast een Mechelse scheper, die later een drugssnuffelaar bleek
te zijn. Met uitzondering van de beambte die de paspoorten behandelde, sprak
niemand een woord Engels en alle formulieren waren uitsluitend in het Russisch
en Kazaks. We hadden er evenmin een idee van welke formulieren we moesten
invullen, noch in hoeveel exemplaren. Ik kreeg uitgelegd aan een grenswachter dat
onze vertaler)van dienst, Laurent, als passagier was overgestoken. Gelukkig
werd hij uitgenodigd om terug in de neutrale zone te komen, zoniet …?

De paperassenwinkel in dit deel van de wereld
blijft verbazing wekken. Ook diegenen die de lokale talen begrijpen, weten
veelal niet hoe de procedures in elkaar zitten. Nadat alles was ingevuld, is
het dan duwen om je plaats niet te verliezen aan het loket. In ons geval was er
slechts één loket open. Met de ervaring die we in het verleden hebben opgedaan,
vormden we een ‘pakje van zes’ rond het venstertje, zodat er niemand aan de
zijkanten door kon wringen. Voor een neutrale buitenstaander zal het erop geleken
hebben dat we een bezige bijenkolonie waren, die door één gaatje naar huis wou.

Op een dikke
twee uur waren we erdoor. Nu nog autoverzekering kopen! In de hoek van het
cafeetje, vlak aan de grens en de stoffige parkeerweide, verkocht een meneer
aan een tafeltje “verzekeringen”. Laurent had een prijs voor zes genegotieerd:
5600 KZT (Kazak Tenghe) per auto, dekking voor drie maand. Dat komt neer op
€34. De ganse administratieve winkel voor zes wagens kostte nog een uur tijd.
Zelf heb ik daar tussendoor wat Danone yoghurt gedronken, om mijn darmen, die
weeral in staking waren, wat milder te stemmen. (Achteraf bekeken, denk ik dat
de oorzaak daarvan een doos tonijn was, die te lang in de laadbak had gelegen,
in de zon, bij 50°C ).

De klok wees
bijna half drie aan toen we aanzetten voor Alma Aty, tweehonderd kilometer
verder. De weg ernaartoe zou degelijk zijn, hoewel zonder gescheiden, noch
dubbele rijvakken. Aanvankelijk waren er nogal wat dorpjes, met veel scholen en
snelheidsbeperkingen. Daarna mochten we negentig per uur over de doorgaans
vlakke steppe “vlammen”. Na een goed half uur werden we door een politieagent
naar de kant gewuifd.

Een mongools
type, in bruin uniform met een “Russische kepie”, breed gebouwd, stapte op mijn
venstertje toe. Voor zover ik wist, had ik niet te hard gereden. Wat hij zei
verstond ik niet, behalve het woord “farie”, wat “faren, koplampen” zou kunnen betekend
hebben. Ik haalde de schouders op. Laurent heeft altijd gezegd dat je beter helemaal
niks verstaat. Dan begon hij met duim en vingers van beide handen een beweging
te maken die met het dimmen van lampen te maken heeft. Papieren, uitstappen en
naar het kantoortje.

Zo zag ik dat
twee collega’s ook gepakt waren, Joris en Julie. In het bureau stond eenzelfde
typetje, wellicht met een ster meer, een beetje vettig te glimlachen. “Fari, fari!
Het daagde bij ons dat er in Kazakstan blijkbaar verwacht werd dat men met de
lichten aan rijdt! Joris begon in vlot Leuvens uit te leggen dat hij wel
verstond wat er mis was, maar dat we daarvan helemaal niet op de hoogte waren,
bij het binnenrijden van het land.

De agent bleef
lachen en haalde een vijftal aan mekaar geniete bladeren uit zijn schuif.
Daarop stonden vele kolommen met nummers, beschrijvingen en getallen. Na wat
irrationele interpretatie van zijn uitleg, leek het erop dat het een lijst met
verkeersregels en boetes was. Achter onze overtreding stond het getal 8655. Dat
zou betekenen veertig euro. Ik kreeg de indruk dat de heren wat onder tafel
wilden verdienen. Na al de landen te hebben doorgereisd waar corruptie, volgens
de reisgidsen, schering en inslag was, en waarvan we niets hadden gemerkt! –
komen we nu in het voorspoedige, goed georganiseerde Kazakstan om … corruptie
te vinden?

“Allé jong, da
godde toch nie vraoge, da kan nie, we wiste da toch nie”. Joris begon met luide
stem te jeremiëren, armen en benen in alle richtingen zwaaiend. De niet
onvriendelijke meneer keek wat verbaasd. Na enkele pirouettes, steekt Joris
lachend zijn hand uit en zegt “komaan, vergeet het, we wisten het niet, laat
ons gaan”. De politieman gaf Joris de hand, en lachte breed. Daarna gaf hij mij
de hand en Julie, en we zeiden in koor “Spasiba” (dank u) en vertrokken. Toen
ik weer in de auto stapte waren mijn compagnons juist wakker geworden…

De rest van de
rit was gebeurtenisloos, al was het maar omdat de steppe eindeloos hetzelfde
is. We arriveerden aan de rand van Alma Aty juist op tijd voor het spitsuur. Volgens
het “roadbook” lag ons hotel aan de andere kant van de stad. Ook met de hulp
van onze gps nam de doorsteek meer dan een uur in beslag. Toen we de oprit van
de “Royal Tulip” opdraaiden was ook dat ellendig stukje stadsfile vergeten. We
werden onthaald door een groepje Vlamingen die op bezoek waren bij een lokale
universiteit. Een vijfsterren hotel, na een vijfsterren reis betekende een
welkome verademing.

’s Avonds
werden we uitgenodigd door een groepje Kazakse zakenmensen, waaronder de
directeur/eigenaar van het hotel. Op de bovenste verdieping werd ons een
prachtig diner aangeboden, met schitterende plats en verse lekkernijen. Ik
besloot om, voor deze keer, mijn buikloop te vergeten. Eindelijk lekkere rauwe
groenten! Eindelijk witte en rode wijn! Eindelijk vis! Eindelijk datgen … wat
we meer dan vier weken hadden ontbeerd, en wat we thuis als doodnormaal
beschouwen. En naar Kazakse traditie bracht iedereen aan tafel een toast uit.
Het feest heeft geduurd van zeven tot half twaalf, en we hebben gesmuld en
gedronken dat het een lust was, zoals tieners die thuis komen van een zwaar
bergkamp!

Als afsluiter
werden we donderdag uitgenodigd voor een rit naar de bergen. De eerste stop was
de beroemde ijsring van Alma Aty waar in de jaren zeventig en tachtig talloze
wereldrecords werden geschaatst. Op 1600 meter hoog gelegen, in de ijlere lucht,
in een windstille vallei was het lange tijd het beste ijsstadium in de wereld.
Daarna klommen we verder naar het wintersportcentrum, aan de voet van
vijfduizend meter hoge bergen. Zeshonderd meter hoger hielden we halt in het skistation.
De temperatuur was fris (15°), de lucht was heerlijk vol, de hemel blauw en de
bergen majestueus. Het was een aangename plek om op adem te komen.

Daarmee zijn de
negen duizend kilometer vol gemaakt. Iedereen is vermoeid en aan wat rust toe.
De meesten – misschien iedereen, kijken ernaar uit om thuis te zijn, ik ook.

Alma Aty,
Kazakstan, 21 juni 2013



De allermooiste bergrit

nederlands Posted on Wed, June 19, 2013 20:03:11

Na een
miezerige en koude avond is de zon terug van de partij. Met een warm donsdeken
over me heen had ik goed geslapen. Om zeven uur was er gestommel in de keuken
en eetzaal. Het brood is van gisteren, droog en hard, maar de eitjes waren roodvers,
recent gelegd door de familiekippen. Er liggen 560km tussen ons en Bishkek, het
doel voor deze lang verwachte dag.

Met de afdaling
uit Arslanbob achter ons, rijden we, langs de M41 (cfr Google maps), door
relatief vlak en vruchtbaar land. Dit is het Kyrgizisch deel van de Fergana
vallei. Ik vraag me af wie deze grenzen getrokken heeft. Immers, langs deze
kant van de grens wonen vooral Oezbeken, een volk van boeren en handelaars. De
Kyrgiezen zijn in de eerste plaats herders en nomaden, die ganse dagen en
maanden met schapen, geiten, paarden, koeien en ezels doende zijn. De recente en
latente conflicten tussen beiden, onder meer in Osh, zijn uiteindelijk toe te
schrijven aan, zeg maar, de onnatuurlijke grenzen.

Een paar uur later
rijden we tussen veelkleurige en diverse rotsformaties langs de oevers van de
Naryn rivier, één van de belangrijke zijrivieren van de Syr Darya. De doorgaans
goed berijdbare weg loopt een beetje zoals een rups op de kermis: in lange
halen naar boven, en naar beneden, soms met een prangende bocht ertussenin. Met
drie auto’s, rood-zwart-groen, na mekaar lijkt het wel een losgeslagen carrousel.
Heel geleidelijk klimmen we tussen deze struise stenen standbeelden. Iedereen
in de wagen is enthousiast over de prachtige woestheid van dit stuk aarde. We
stoppen enkele keren om foto’s te nemen.

De tijd lijkt
stil te staan, doch vliegt voorbij. Voor we het goed beseffen is het één uur,
als we aan het Toktogul reservoir arriveren. Dit meer is ontstaan door
afdamming van de Naryn en andere rivieren: hemels blauw, omzoomd door granieten
bergen en korrelige heuvels, van inktzwart tot okergeel. We rijden – voor de
laatste keer 4×4 ? – tot aan de verlaten rand van het meer, om te picknicken,
en wat in het relatief warme water te lopen (20°C)

Diegenen die
met mij op reis zijn geweest, zullen weten dat ik onderweg de tijd altijd in
het oog houd. Ik maak me druk over het simpele feit dat we na vijf uur slechts
honderd tachtig kilometer hebben afgelegd, één derde van de afstand! Omdat het
mijn beurt is om het stuur over te nemen, rust ik wat uit op de achterbank van
de auto, in de schaduw. Hoe zou het thuis zijn?

Na een uurtje
is iedereen klaar voor het grote werk: we moeten nog twee passen over van meer
dan drie duizend meter! Alvorens die klim aan te vatten cirkelen we helemaal
rond het meer, want de pas begint exact aan de overkant van waar wij
gepicknickt hebben. Een rondje van een uur, of meer. De compensatie daarvoor is
het bekorende landschap waarbij zon en wolken een gevarieerd spelletje schaduw
schaken met de okergele, gekorrelde
zandstenen heuvels. En de weg golft op en neer, recht en rond, en weerom
recht en anders rond.

Na het stadje Toktogul,
draaien we abrupt noordwaarts, richting hooggebergte waar de sneeuw de toppen
kroont. In Karakol betalen we tol (dat rijmt!) en dan begint de afstand tussen
de wanden te verkleinen en de borden met 7, 9 en 12% volgen mekaar sneller op.
Onder de twee duizend toeren is de Toyota niet in zijn sas, en beneden de
vijftienhonderd wordt hij een puffende schildpad. Gelukkig zijn er nog
afdalingen om snelheid te halen…

Na nog wat
geslinger tussen wanden komen we plots in een open ruimte. Voor ons liggen wat
zigzag trajecten op de flank van een berg. De groene Hilux begint meer en meer
te kreunen, maar de zwarte achter ons doet het blijkbaar ook niet schitterend.
Het gaat van langsom trager, en de wind begint te fluiten langs – of door? –
ons stalen karkas, doorheen de spleten in de ramen, alleszins. Het is ook veel
kouder geworden. Zonder het goed te beseffen ronden we de top: Ala Bel Pas,
3184m.

De geasfalteerde
slinger naar beneden daalt eerder zacht. De lucht, wat blauw, grijs en wit,
verstrooit het licht tot een perfecte bondgenoot voor het hoge plateau, de
Suusamyr Vallei, die zich voor onze ogen groen ontrolt, bevlekt met talloze
witte vlekken, bruine stippen, donkere puntjes – respectievelijk yurts, paarden
en mensen. En dan vergeet ik de geiten, schapen, ezels, hutten en woonwagens.
Dit is de hemel voor de Kyrgiezen. (Je kan niet ontkennen dat twee duizend
vijfhonderd meter al een heel stuk naar boven is, in de goede richting dus ..)
Een collega vertelt me het verhaal van een veearts van Bishkek die hier met
zijn gezin met vakantie is. Hemels mooi en levendig aards is het, maar iedereen
is dik aangeduffeld, want het waait hard en de temperatuur is een zevental
graden, boven nul.

De tocht door
dit hoogplateau duurt zeker een half uur. De vallei wordt langs beide kanten
omgeven door besneeuwde bergen. Aan onze linkerkant vormen zich snel witgrijze
wolken, aan de rechtse vluchten ze wat uit mekaar. Heerlijk fotomateriaal, maar
ik rijd, en “steel” wat snelle kiekjes met mijn klein kodakse. En dan stopt ze,
de vallei.

Het vervolg van
de route is niet al te duidelijk zichtbaar. Het is naar links, naar de mistige
wolken. Hier begint de Tör Aschuu Pas echt. We zien de zigzaggende weg in de
wand slechts mondjesmaat verschijnen: lange rechte stukken, stijgnd, verbonden
met haarspeldbochten. Naarmate we vorderen begint de Toyota te zweten, of ben
ik het? De laatste vier vijf kilometer klimmen we in tweede versnelling, tegen
zo een veertig kilometer per uur: een slakkengang die veel zelfbeheersing
vraagt – hier met een M5, waw!?!

En dan begint
er koude regen te vallen. En dan staan we voor een tunnel, in file, voor het
rode licht. Auto’s en vrachtwagens friemelen door mekaar naar het open gat,
centimeterwerk. Een vrouw beschermt haar twee zonen met haar jas wijd gehouden,
tegen de wind, terwijl ze hun blaasjes ledigen. De wind is zeer krachtig hier,
en het is koud. Het begint serieus te sneeuwen. Na een tiental minuten zijn we
in het donkere gat: een twee kilometer lange tunnel met wisselend eenrichtingsverkeer.
Ongeveer halfweg staan er twee camionetten met hun achterste naar elkaar:
lading wordt overgeladen. Driehonderd meter verder staat een vrachtwagen in
panne in tegenovergestelde richting: op een paar centimeter van de tunnelwand
passeren we ook dat obstakel. Eindelijk … licht (aan het einde van de tunnel).

En stormwind,
en sneeuw: de top, op 3586 meter, een nieuw record. De eerste twintig minuten
dalen we af in de wolken waarin de pluimpjes vliegen. Dan klaart het uit, en de
rest van de afdaling is breed, met vele langgerekte en dus plezierige
S-bochten. ’t Is genieten geblazen. (Alexander zal me later vertellen dat hij
wat zeeziek werd, achterin de auto). Alvorens we dit natuurpark verlaten, in
Kara Balta, betalen we nogmaals vijf dollar. Tien dollar voor zoveel
natuurpracht, het is een weggevertje. Ik heb nu vier uur gereden – in de wolken
– en laat het stuur aan Jean voor de laatste loodjes. (Die drie uur zullen in
beslag nemen, wegens onvoorziene omstandigheden)

Het verkeer
naar Bishkek is zeer druk, en chaotisch, in beide richtingen. Vanaf de weg
hebben we nog een innemend vergezicht op de besneeuwde toppen van de Tien Shan,
die we zopas hebben overgestoken. Plots loopt er een bekende armenzwaaiend de
weg op: het is Carl. Zo na bij het doel gekomen, en toch nog een panne? De
witte Landrover staat aan de kant van de weg, beschaamd, onder wat bomen. De
motor heeft het blijkbaar begeven … misschien omdat ze twee franse “jeunes
dames” een lift hadden gegeven, die ze waren tegengekomen in een schilderachtig
dorpje op een dertigtal kilometer van de hoofdweg? Wie zal het zeggen? Wij
hebben de madammekens meegenomen tot aan ons hotel, alwaar ze een taxi hebben
genomen naar het ‘gasthuis’ waar ze gratis konden slapen, en warm water ter
hunner beschikking zouden krijgen (wat ze ten zeerste apprecieerden, want het
was vier dagen geleden).

Het is kwart
over negen als we uiteindelijk een kamer hebben en wat te eten bestellen. Foei,
het restaurant is om negen uur gesloten. Voor twintig dollar de man krijgen we taaie,
koude biefstuk met vettige frietjes, en champignonsoep: speciale take-away
service. Het bed was een verlossing. De film van de dag zal een zalige droom
worden: de schitterendste bergrit uit mijn leven!

Bishkek, 18
juni 2013

P.S. Over de
vrije dag in Bishkek valt niet veel te zeggen. Het is een doordeweekse
continentale provinciestad die hoofdstad wordt genoemd, omdat er nu eenmaal een
hoofdstad moet zijn als men grenzen heeft getrokken. Morgen rijden we naar het voorlopig
eindpunt: Alma Aty, Kazakstan.



Natuurdag onder torend graniet

nederlands Posted on Tue, June 18, 2013 13:35:51

Toen we
vanmorgen vertrokken uit Osh, met vertraging zoals gewoonlijk, scheen de zon.
De namiddag zouden we doorbrengen, te voet of te paard, in Arslanbob, in het
gebergte dat door de noordelijke helft van Kyrgizië snijdt: Tien Shan. Dit
langgerekte massief zorgt ervoor dat de bergen in de “Knoop van Pamir”, die aan
de zuidkant worden omkneld door de Hindu Kush, het bekende Afghaanse massief, worden
opgestuwd tot bijna achtduizend meter. Wegens die kruising wordt het kruispunt
in bergtaal trouwens een “knoop” genoemd.

Het
sleutelwoord vandaag was opnieuw “homestay”; tegenwoordig hebben de
specialisten, zeg maar de marketeers, daarvoor ook een nieuwe naam gecreëerd:
community-based tourism. Hoewel dit een uitgelezen (en goedkope) manier is om
het leven van de lokale mensen te ontdekken, zal ik blij zijn als we de rest
van de week in goede hotels zullen overnachten.

Laat me duidelijk
zijn: de kijk op het dagelijks leven van de lokale mensen vanuit een (al dan
niet luxueus) hotel, is onvergelijkbaar met het gedeeltelijk deelnemen aan het
leven van een familie, al is dat maar op het vlak van eten, douchen en slapen. Zonder
enige twijfel is dat een pluspunt als men onderweg wat meer wil doen dan “het
land bezoeken”. Na vijf weken intensief reizen, waarbij de vermoeidheid
accumuleert en men niet vrij is van bepaalde fysiologische ongemakken, is de luxe van een hotel echter welgekomen.

Arslanbob is volgens
de GPS slechts negentig kilometer verwijderd van Osh, een makkie voor doorwinterde
spoorzoekers. Eerste hindernis is de grens ontwijken. Inderdaad, de normale weg
loopt noordoostelijk naar Jalalabad, maar… die snijdt een tiental kilometer
door Oezbekistan. En dat is een onoverkomelijke hindernis want we hebben geen
“re-entry” visum en, daarenboven, hebben we geen zes uur de tijd om eerst
binnen te geraken, en dan terug buiten: dus is er een deviatie voorzien van
zeventig kilometer, met talrijke dorpen, waardoor we rond Oezbekistan rijden.

Het tweede
probleem wordt het weer: als we noordoostwaarts de vallei inrijden pakken
donkere wolken zich samen aan de hemel, tegen de granieten muur die we voor ons
uit zien oprijzen. De rivier die we volgen heeft zijn hoogste stand wellicht
enkele maanden geleden bereikt; vandaag blijven er enkele wat woeste geulen
over, zeker drie meter onder het maximum. Na vijftig kilometer slaan we links
af voor het laatste stuk naar Arslanbob, op 1500 meter hoogte gelegen.

Als we in het
centrum toekomen is de regen aan zijn proefwerk begonnen. Het is ook merkelijk
kouder geworden. Zelf heb ik noch een regenjas, nog een warm trui met lange
mouwen mee. In korte mouwen en korte broek sta je net lang genoeg uit de wagen
om de blaas te ledigen. Het wordt gauw drie uur in de namiddag alvorens onze bagage
in een kamer ligt. Goddank zijn er zes vlasrouters doorgereden, zodat er veel
plaats is. Elkeen die het wil heeft een eigen kamer, mét bed, verdeeld over een
viertal huizen. De regen is gestopt maar de hemel voorspelt niks goeds.

Met het slechte
weer is de paardentrekking afgelast. Wegens het late uur is de wandeltocht naar
de grote (tachtig meter hoge) waterval evenmin een optie. Dus vertrekken we
voor een wandeling van drie uur naar de kleine (23m) waterval, die tevens een
religieuze trekpleister is, en het “beroemde” woud van notelaars. Zeshonderd
vierkante kilometer groot en op een gemiddelde hoogte van 1800 meter schijnt
het uniek te zijn in de wereld. Waarom deze unieke vruchten niet tegen een hoge
prijs worden geëxporteerd is een raadsel(tje).

De waterval
hebben we gezien, maar hij krijgt geen ster. Het walnotenbos heeft ons wat
tegen de regen beschut, want die gutst na een half uur klimmen gestaag uit de
donkergrijze hemel naar beneden. Ter informatie: ik heb wel geen warme kleren
maar heb wel mijn “emergency poncho” uit mijn Amazone-avontuur mee. Dat helpt
een beetje tegen het nat, echter niet tegen de vochtige kou. De bergen rezen
vlak voor onze neus op tot meer dan vierduizend meter, maar zijn onzichtbaar.
Met zijn drieën zijn we na een uurtje klimmen teruggekeerd. Tot in het dorp is
dat redelijk makkelijk gegaan, maar het huis terugvinden waar we onze intrek
hadden genomen, is niet simpel: het adres is “het huis van Genbogan”. Na drie
kwartier, en veel vragen, is het gelukt.

Het voordeel
van de vroege terugkomst is dat alle “faciliteiten” beschikbaar zijn,
voornamelijk het wc en de douche. Allebei in één exemplaar, maar met drie valt
dat te regelen. De douche is uniek te noemen: een voorkamertje met een
piepklein lampje, vol met allerlei schoenen van de familie (koppel, oudere
dochter en twee peuters), natte handdoeken en wat poetsgerief, alles tesamen
één meter op twee. Een ander deurtje leidt naar de “douche kamer”, twee meter
op twee, inclusief iets wat op een warmwaterketel lijkt. De douchekop heeft een
twintigtal gaatjes en uit een vijftal komt er water, lauw zelfs! Letterlijk met
haken, ogen en koordjes wordt die douchekop op één plaats aan de zoldering
stabiel gehouden. De dertig watt sterke lamp flikkert af en toe, maar ik voel
geen elektriciteit aan mijn voeten… Over het wc kan ik kort zijn: een westers
‘zitje’ met een directe, natuurlijke beerput, er recht onder. Omdat onze auto
er vlak naast geparkeerd staat, denk ik effen dat het menselijk mest tot aan
mijn wielen schuift. Toch niet, een betonnen plaat in de grond maakt dat
onmogelijk. De stank kan echter niet door beton gestopt worden.

De gastheer was
vroeg begonnen met de bereiding van het avondmaal: plov, deze keer met
katoenzaadolie. Lekker, en therapeutisch goed voor de darmen. Na de plov hebben
we gekaart: kleurenwies met één licht aan de muur, een neonlamp. Een beetje van
een andere wereld toch, maar ja, Centraal-Azië is een andere wereld.

Arslanbob, 16
juni 2013



Afspraak op de Pamir Highway

nederlands Posted on Mon, June 17, 2013 20:09:26

Zondagmorgen,
acht uur. We worden wakker in Osh. Meestal schrijf ik ’s avonds, bij de
aankomst. Dat is niet gelukt om twee redenen: één, waren we slechts om half
negen ter plaatse en, twee, heeft het tot half twaalf geduurd tot we gevoed
werden.

Om met dat
laatste te beginnen: we slapen bij een gastgezin. Twee kleine kindjes en een
jong koppel hebben er een groot huis, waarin veel plaats is. Misschien denken
ze nog aan veel uitbreiding, ofwel zijn ze aan het sparen om het vol meubelen
te zetten:immers, naast wat minder-comfortabele bedden staat er niet al te veel in
de “slaapkamers”. Ware het niet dat ik al wat ben afgevallen, dan had mijn
vering-matrascombinatie misschien tot op de grond doorgehangen. Ach, dat hoort
erbij; de mensen zijn zeer vriendelijk, en de kindjes – natuurlijk, zeer
lief. Na het deponeren van onze bagage gingen we naar het rendez-vous voor het
avondeten, met de auto. Voor iedereen klaar was werd het half tien (sommigen vonden het nodig om
te douchen en met één douche voor tien man neemt dat wat tijd). We bestelden wat bier, soep en de schotel van de dag (spaghetti met
beef).

Onder een tent
van witte gordijnen, voorzien van een grote ovale lage tafel (zoals de
Japanners), mochten we ons, nogal ongemakkelijk voor de meesten, op matten en
gesteund door enkele kussens, neervlijen. Onze gids had deze plek uitgekozen in
het (rijke) zuidelijke gedeelte van de stad. Er speelde ook “muziek”, en er was
ook een bar met veel oranje verlichting. Na een goed half uur krijgen we bier,
er was slechts één soort meer beschikbaar, van Russische makelei en, hoe kan
het anders, een fles vodka voor de liefhebbers.

Om elf uur kwam
een kelner ons vertellen dat het nog twintig minuten zou duren. Algemene verbijstering
en verontwaardiging! Enkele tafelgenoten stapten op, en kwamen dansend terug.
Niet alleen was er muziek (zoals in quasi alle grote restaurants in
Centraal-Azië), er was een disco. Met wat goede moed vlogen de twintig minuten
voorbij. En dan nog twintig – de honger was helemaal weg, en de vaak domineerde
alles. En dan: hoera: spaghetti met wat beef, letterlijk. Elke Belgische
teenager kon dit in een handomdraai thuis klaar maken als er kokend water,
spaghetti en corned beef voor handen is.

Nu kon alles
snel gaan: rekening, wc en weg. Op weg naar het wc ontdekte ik dat het niet
alleen “muziek” was, maar een “full blown disco”, zwart van het volk. Blijkbaar
was het ook een plek voor de “high society” want de jonge dames die
de hoge hielen lichtten aan de verste kant, waren glitterend uitgedost. Een
soort van bodyguard zorgde ervoor dat vreemden hen niet vervoegden. Het wc bleek ook
modern te zijn: geloof het of niet, er was één wc, één, voor het ganse
etablissement. Samen aanschuiven is een gegeerd sociaal spelletje. Voor acht
dollar waren we uiteindelijk gesteld en om half een lag ik in mijn hangbed!

Eerder in de
dag hadden we de Oezbeekse grens overgestoken. Ik zal jullie de kafkaiaanse administratieve
beslommeringen besparen. Het was alles samen bijna vier uur “werk”, waarbij de
Kyrgiziërs slechts verantwoordelijk waren voor een half uurtje daarvan. Aan hun
kant werden we ontvangen met groenten, fruit, drank en wisselkantoren. In
Kyrgizië blijven we bij “som” (of soem) maar ze zijn wel vijftig keer meer waard
en er is geen zwarte markt.

Het andere
evenement van de dag was een uitstap naar een pas, op 2400m, ten zuiden van
Osh. We waren later gearriveerd dan verwacht maar het weer was schitterend en
we besloten de zestig kilometer aan te vangen. Deze weg, bekend als de Pamir
Highway, werd door de Chinezen aangelegd om sneller hun goederen naar de lokale
markten te brengen. Het is de eerste weg die de vergelijking met onze betere
westerse wegen kan doorstaan: bijna een biljart. Op die manier was de afstand een
kleiner probleem dan we gewoon zijn geworden. Om half vijf stonden we er en het
was een fantastische beleving, naar alle mogelijke aspecten. In de verte rezen
de massieve granieten muren van de zogenaamde “Knoop van Pamir” als zwart-witte
reuzen. Overal waar we keken glooiden langgerekte bergweiden, gevuld met leven:
mensen, kippen, paarden, schapen, ezels en koeien.

Dit was het
zomerverblijf van de Kyrgizische herders, hun dorp lag heel diep in het dal,
nauwelijks zichtbaar. De ganse pas was bezaaid met leven, groen golvend in alle
richtingen. De kinderen, eerst wat schuchter, volgden ons, zwaaiend met de
handen en armen, breed lachend ook. “Hello” zeiden ze, de ouderen wisten zelfs
trots “how are you?” te roepen. En iedereen wou op de foto: poseren, lachen,
wuiven, nog poseren, weglopen en terugkomen. Volle twee uur hebben hoog in die
pas rond gelopen en massa’s foto’s gemaakt, zowel van bergen, dieren als mensen.
Tegen zessen kwam er nog een trouwkoppel met gevolg wat vieren, de Bentley’s
stonden geparkeerd aan de kant van de weg. In feite is het tafereel
onbeschrijflijk, tenminste voor mij. Diegenen die een betere impressie willen
krijgen, kunnen best naar de talloze foto’s komen kijken – na de zomer!

Osh, 15 juni
2013



Naar de Fergana Vallei

nederlands Posted on Fri, June 14, 2013 20:14:48

Vandaag hebben
we de droogte en, zo blijkt vanavond, ook de hitte achter ons gelaten. Het is
nu half elf en 14°C in Andijan, Zuidoost Oezbekistan. Acht jaar geleden was
deze stad het toneel van zeer zware onlusten met honderden doden. Bij aankomst
deze namiddag lag de stad eveneens overhoop: overal tegelijk waren er werken,
en de andere straten waren eigenlijk een verzameling van putten met hier en
daar wat platte stukjes.

Maar goed, we
verblijven nu in het hotel “Elita”. Zoals de naam impliceert is het niet
slecht; mijn kamer is groot (zes meter op vier), met twee ledikanten aan de
twee muren, en verder nog bemeubeld met allerlei Sovjetstijl, oud meubilair.
Tussen twee vensters stroomt er warme lucht naar buiten en koele naar binnen.

De rit van Tasjkent
naar Andijan is voorspoedig verlopen, zij het met wat verwachte en onverwachte
moeilijkheden. Onder de eerste categorie ressorteert de zoektocht naar diesel.
Uit verschillende bronnen hadden we vernomen dat zelfs in Tasjkent diesel een
schaars goedje was geworden. Dat heeft blijkbaar te maken met het feit dat de
raffinaderij in Bukhara vorig jaar is uitgebrand. Er wordt hier intussen zelfs
diesel verkocht langs de weg in cola en fantaflesjes, a rato van één dollar
voor een flesje.

Dat alles
betekende dat we meer dan een half uur door de stad moesten laveren om een
tankstation te vinden met diesel, om juist te zijn met “goede” diesel want
blijkbaar wordt er hier en daar water bij gekieperd! Uiteindelijk vulden we ons
tanks en jerrycans aan de redelijke prijs van anderhalve dollar per liter. Zo
waren we goed voor meer dan zes honderd kilometer autonomie.

Na deze “ommegank”
kwam het echte werk: om in de Fergana Vallei te geraken moesten we door en over
de uitlopers van het Tien Shan gebergte. Op de kaart stond de pas gemarkeerd
als 2200m hoog. Bij het binnenrijden van het gebergte moesten we onze auto
laten registreren door de politie. Dit was ook de eerste keer dat er goed
bewapende militairen bij te pas kwamen. De overheid houdt hier duidelijk een
oogje in het zeil.

De weg naar
omhoog was heerlijk, met oker en groen, ondersteund door wat smaragd gekleurde
meertjes. Sinds enkele tijd zijn er ook twee tunnels geopend, waardoor we het
laatste stuk naar de top letterlijk links lieten liggen. Aan de andere kant
begon het onverwachte: een enorm zwaar onweer. Dat is in de bergen altijd een
belevenis maar in dit land, op deze bergen, met deze chauffeurs en met de
tropische regen nam het wat hallucinante vormen aan. Mijn twee collega’s lagen te
slapen toen het schouwspel begon.

Het is
onmogelijk te beschrijven in enkele woorden en ik heb geen tijd voor vele
woorden (morgen moet ik vroeg paraat zijn om de grens over te steken). Stelt u
zich gewoon een redelijk brede weg voor, nogal ongelijk en her en der een put,
waarover water in beken naar beneden stroomt. Op deze neerwaartse weg zijn er
helemaal geen wegmarkeringen en de meeste auto’s rijden zonder lichten.
Gelukkig was op en af gescheiden door een muurtje. Na een tiental minuten begon
het dan te hagelen (knikkermaat), terwijl de modder van de steile hellingen
langs de weg naar beneden gutste. Toen we, een half uur later, beneden waren,
werd het rustiger en, god zij dank, veel koeler.

De zon hebben
we sindsdien niet meer gezien, maar dat is niet zo erg. Morgenvroeg is ze
helemaal terug, zegt het weerbericht. De volgende twee dagen zal er wellicht geen
nieuws zijn, aangezien we in de bergen, in yurten of tenten, slapen – stil,
zonder internet.

Andijan, 14
juni 2013



Kilometers vreten tot Tasjkent

nederlands Posted on Thu, June 13, 2013 18:56:55

Als deze reis
een rally was, dan zouden we het vandaag, woensdag – namen van dagen verliezen
hier hun betekenis – een verbindingsrit genoemd hebben. Natuurlijk is het geen rally,
hoewel er wel één auto twee keer door de politie werd gestopt voor overdreven
snelheid. Het was de auto van de meisjes, waarin ook de Oezbeekse gids had
plaats genomen. Hij heeft de boetes weggepraat.

Het moge
duidelijk zijn dat er tussen Samarkand en Tasjkent niks te zien is buiten wat
katoen- en tarwevelden, wat verloren dorpen en, in de zuidelijke verte, sneeuw
op de toppen van de hoogste bergen – die van Tadzjikistan.

Wat er wel nog
bezienswaardig genoemd kon worden, waren twee houten plakkaten langs de weg in
de vorm van politiewagens, met hun specifieke kleuren incluis. Het is pas als
je honderd meer ervan verwijderd bent dat je merkt dat het namaak is. Geen
geweldig idee voor de tewerkstelling, maar wel kosten besparend, en effectief.
Wat betreft tewerkstelling kan men hier niet klagen: om de twintig kilometer
staat er wel ergens een zwaar bemande politiepost voor controle. Op die
plaatsen verschijnt er een wachthuis en is, zonder pardon, de weg opgebroken,
zodat je er stapvoets door moet.

Een twintigtal
kilometer voor Tasjkent hebben we ook de Syr Darya overgestoken. Deze rivier,
die in het Tien Shan gebergte ontspringt, en in het Aral meer uitmondt
(tegenwoordig slechts mondjesmaat, wegens dammen voor irrigatie), vormt de
noordelijkste grens van de veroveringen van Alexander de Grote. Ze werd in die
tijd Jaxartes genoemd, en is altijd van levensbelang geweest voor het leven in
deze streken. Met deze oversteek heb ik nog een bolletje in mijn “Alexander to
see” boekje zwart gemaakt.

Tasjkent zelf
is een grote, doch aangename stad (te warm voor mij, uiteraard) van bijna drie miljoen
inwoners. Zij is gebouwd door de Russen, die eraan begonnen in de 19de
eeuw. Omdat elke stad van één miljoen inwoners in de Sovjettijden, onder het
communistisch bewind, bij decreet een metro moest hebben, is die in 1977 in Tasjkent
gebouwd. Net als in Moskou, zijn de stations netjes aangekleed met kunstige
versieringen. Waarom er niet mag gefotografeerd worden is dan weer een
onopgelost raadsel.

Sinds de
onafhankelijkheid (’91) heeft men het “Independence Square” uit de grond gestampt.
Badend in groen en heel veel bloemen, mag het er zeker zijn. In tegenstelling
tot bv in Azerbeidjan en Turkmenistan, vindt men in het straatbeeld geen portretten
van de president, Karimov. Wel is elk monument van één van zijn spreuken
voorzien. De monumenten zelf beelden altijd iets uit rond moeder en, dikwijls,
kind. Zo is, zeer opvallend, het monument van de “onbekende” soldaat in feite
een sculptuur van een in-trieste moeder, gebeeldhouwd achter de eeuwige vlam. Ernaast
werd een mooi, ingetogen gebouw opgetrokken in oude stijl voor de
honderdduizenden soldaten uit Oezbekistan die in de tweede wereldoorlog zijn
gesneuveld. Al hun namen zijn gegraveerd, per provincie, in vergulde ijzeren
bladzijden die als boeken in de muren hangen… Impressionant toch wel.

De tweede dag van
ons verblijf in deze “Garden City” zijn we begonnen met een bezoek aan de
“Kamer van Koophandel”: een delegatie van vijftien Vlamingen was op het appél. De
ontvangst werd verzorgd door een mevrouw die tevens de relatie onderhoudt met
de Waalse overheid en de Vlaamse (in casu het FIT). Haar naam was, misschien
toevallig, Karimova. De grote zaal, met ovalen tafel voor veertig man, was
voorzien van alle “oren en poten” qua meubilair, presentatie infrastructuur, en
klank en licht. Tot onze grote verrassing nam er slechts één man plaats langs
de kant van de Oezbeekse vlag, geflankeerd door twee jonge dames (die niet
direct van plan waren om iets anders toe te voegen dan ‘entourage’). De gedetailleerde
inhoud van het één uur durende gesprek zal ik jullie onthouden: het was vooral
interessant wat betreft alles dat niet gezegd werd. Na de obligate groepsfoto
werd de vergadering gesloten.

Terwijl het
gros van onze al dan niet gepensioneerde ondernemers met Laurent naar een
(echte?) business meeting vertrokken, had ik een afspraak met onze gids,
Dostan, om een lens voor mijn camera te zoeken. Een Belg die reeds zeven jaar
in Tasjkent woont, wist me te vertellen dat er in de stad alvast geen Canon
winkel was gevestigd. Hij vermoedde dat ze met mij naar de “elektronica markt”
zouden trekken. Hij had juist geraden!

De markt was
een allegaartje van winkels en standjes vol elektrische apparatuur: van
smartphones tot air conditioners en koelkasten. Dostan begroette één van zijn
talrijke vrienden op de traditionele manier (zoals Karzai Obama begroet, haha!)
Volgens die vriend was er slechts één winkel waar een passende lens kon
gevonden worden. In die winkel zwaaide een zelfzekere juffrouw van een jaar of
dertig de plak aan de “camera toog”. Dezelfde lens als mijn defect model had ze
niet. Rondbellen dan maar; zonder resultaat. Ze had wel een echte en prachtige
high-end Canon lens voor een slordige $1070. Ze geloofde slechts traagjes dat
ik die som niet wou betalen. (In België kost de lens wellicht meer dan duizend
Euro). Ze had nog een andere, maar die zat vast aan een camera. Het was een
telezoom van 17mm – 135mm. De prijs die ze vroeg was aanvaardbaar, maar het
moest in cash worden afgedokt.

“De muur” is in
Tasjkent niet gekend. Je kan wel geld krijgen via een kredietkaart in de bank,
met paspoort – aan de officiële koers. Ik stelde voor om terug naar het hotel
te gaan, waar nog wat dollars lagen. Dostan vond een taxi, een zeer oude Lada
met kwikkelende voorzetel. De jonge chauffeur reed barvoets, met zijn linkse
dikke teen stevig om het pedaal van de koppeling gekromd. Het dashboard hing
vol met Barcelona schildjes: altijd dankbaar om vrienden te maken. Ook
Manchester en Liverpool waren ok, Cristiano Ronaldo was een stoeffer, Messi een
fantastische gast en Chelsea … “beik, Abramovich, weet je!

Heen en terug,
geld tellen (dollars tellen ze even handig en snel als Oezbeekse som, maar het
duurt niet zo lang). Dostan bracht me terug naar de hoofdstraat en stopte een
taxi, geen gele “wettelijke” wel maar een gewone kleine auto die me wou
vervoeren, voor 4000 som. De man nodigde me uit om vooraan te komen zitten,
naast zijn krukken. Het was de eerste “automatique” die ik in vijf weken te
zien kreeg. Na honderd meter ging hij aan de kant staan, om me een stuk krant
te tonen: Belgya 1-0 tegen Serbia. Lees maar, zei hij. Nog wat later begon hij
over zijn carrière als voetballer en tenslotte wees hij op zijn linkerbeen, dat
afgezet was tot juist onder zijn heup. Hij bleek ook meegedaan te hebben in de
Paralympics, bla-bla-bla. Toen we aan het hotel kwamen vroeg hij me of ik Euro’s
had. Ik antwoordde van niet, dollars wel. Of hij dan vijf dollar (=10000 som)
kon krijgen voor de rit? – en hij wees op zijn been. Ik schudde van neen. Toen
ik uitstapte gaf ik hem de vier duizend som, plus één dollar, als souvenir,
voegde ik eraan toe. Hij lachte en gaf me de krant.

Tasjkent, 13
juni 2013



Samarkand ten voeten uit

nederlands Posted on Wed, June 12, 2013 04:06:24

Ik was vroeg
wakker, de zon trouwens ook. Wat de zon betreft is dat rond half vijf. Sinds we
aan de andere kant van de Kaspische Zee vertoefden, is de tijd niet meer
aangepast, en dus blijft de zon vroeger opstaan naarmate we oostwaarts
vorderen. Wat mezelf betreft, wreef ik me de ogen uit om zes uur. De
lichtblauwe lucht en de snel stijgende gele bol brachten me terug in de tijd,
achtendertig jaar geleden, toen Gunther juist was geboren. Toen ging ik om zes
uur ’s ochtends slapen, op het balkon.

Samarkand is een reflectie van rijke
geschiedenis, vooral van de voorspoedige tijden in de veertiende en vijftiende
eeuw: de laatste bloeiperiode van een Centraal-Aziatisch Rijk dat zich
uitstrekte van Delhi in India tot Istanbul in Turkije, en van de Perzische Golf
tot (bijna) in Moskou. De man die dat bewerkstelligde is Emir Timour, ook
bekend als Timoer Leng of Timurlane. Uit de overdrijvingen van de gids moest
blijken dat deze veroveraar een volksheld is geworden.

Eén van de
nadelen van Samarkand t.o.v. Bukhara is dat de historische monumenten verspreid
liggen over de stad. Dat heeft tot gevolg dat er nogal wat transport nodig is
om die plaatsen te bezichtigen. Het enige vervoer is taxi. Voor toeristen
rekent men twee duizend som (één dollar) per rit en per persoon. De tarieven
voor toeristen en bewoners verschillen doorgaans met een factor tien, ook voor
de entrees (waar tevens een “fototoestel toeslag” dient betaald). In
vergelijking met de prijzen van 2010 (uit de gids) is alles inmiddels
verviervoudigd: overtreft de vraag het aanbod?

Wellicht het
belangrijkste monument is het Mausoleum van Timoer, dat op wandelafstand van
ons hotel ligt. De held, Emir en Khan werd negenenzestig (1336-1405). Als je de
ribben van de blauwe koepel telt, vind je er eveneens 69! We hebben dat niet
geverifieerd! Dit soort van numerologie is in deze streken zeer populair, tot
op de dag van vandaag. Tegen de zinderende blauwe lucht rijzen deze gebouwen,
in zekere zin strak en eenvoudig gehouden aan de buitenkant, harmonisch op met
de omgeving. Binnenin doen ze me denken aan de Moorse stijl in Spanje. De
“dôme” van het grafmonument, met een schitterende luchter, verwoordt tegelijk
het leven in de dood.

Voor diegenen
die door “dood” zijn aangetrokken, kan ik het Shah-i-Zinda aanbevelen. Daar
vindt men de “avenue of mausoleums”, uiteraard van minder belangrijke
personaliteiten dan de grote leiders (veelal familieleden), maar toch
indrukwekkend. De aanwezigheid van hedendaagse graven maakt duidelijk dat de
poort naar het hiernamaals hier reeds meer dan zevenhonderd jaar open staat.
Dit “dodenpaleis” is gebouwd rond het graf van een kozijn van Mohammed. Men
neemt aan dat dit het enige is, wat Genghis Khan niét heeft verwoest gedurende
zijn veldtochten.

Over Islam
gesproken: het komt me voor dat Turkije het meest islamitische land is dat we
hebben bezocht. Terwijl de mensen in deze streek grotendeels islamitisch zijn,
is daarvan in het straatbeeld evenveel te merken als van de christelijkheid in
onze contreien, niets dus. Ogenschijnlijk is het voor de leiders in
Azerbeidjan, Turkmenistan en Oezbekistan niet nodig om het volk rond godsdienst
te polariseren om hun macht te behouden of te vergroten (zoals dat – en het is
nogmaals gebleken in de voorbije weken – in Turkije onloochenbaar is). De
verscheidenheid in etnische oorsprong en taalvoorkeur worden evenmin misbruikt:
op dat vlak is alles peis en vree.

Het straatbeeld
in Samarkand is er één van rust en kalmte en, in het algemeen, van blijheid.
Curiositeit voor vreemdelingen vind je er eveneens. Iedereen, maar vooral jonge
meisjes en oude vrouwen, willen met plezier op de foto. En heel dikwijls
poseren ze er zelfs spontaan voor. Mij lijkt het evident dat de mensen van
Centraal Azië (technisch gesproken zijn dat Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan,
Kyrgistan en Kazakstan) zich verbonden voelen met Europeanen, meer dan met
Oost-Aziaten (Chinezen, Mongolen, en verder). Europeanen vormen trouwens ook
het overgrote deel van de toeristen, Fransen voorop. (In de groep speculeren we
dat de Fransen hier hun superioriteit kunnen tonen, zonder bang hoeven te zijn
dat ze op hun plaats gezet worden..)

Tot slot iets
over de mensen zelf: ze zijn kleintjes en dunnetjes, op enkele pacha’s en
madronnes na. Ik verbaas me keer op keer over de flinterdunne benen van de
vrouwen. Toegegeven, ze zijn klein van gestalte, smal en licht gebouwd , maar
toch lijken ze op korte, dunne steltjes te lopen die ieder op moment kunnen
barsten, of breken. Blond haar is uit het straatbeeld helemaal verdwenen. De
Mongoolse genen hebben op dat vlak gezegevierd. Blauwe ogen, die in
Turkmenistan niet schaars waren, zijn in Oezbekistan op darwinistische wijze
weg geselecteerd. Zonder in de diepte te hebben gepeild, lijkt deze samenleving
een degelijk evenwicht hebben gevonden met de economische werkelijkheid en de
geografische eigenheden. Dat de kinderen voor de katoenpluk verplicht met
vakantie worden gestuurd, past niet in dat beeld, en dus blijft er deel van wat
er zich in dit land afspeelt, verborgen achter de donkerogige lach van zijn
mensen.

Als slaapmutsje
nog dit: geld wisselen op de zwarte markt is een belevenis. Doorgaans wordt
deze business bedreven door jonge gasten met plastieken zakken, die in groepjes
bij mekaar staan. Het bieden op zich is zoals een parket op een beurs waarbij
het om procentjes gaat. De officiële koers is vandaag 2100 som voor één dollar.
Twee dagen geleden in Bukhara was de zwarte koers 2300 à 2400. Gisteren aan het
pompstation hadden we in feite 2000 moeten betalen. Vanavond circuleerden er
geruchten over 2700. Na enkele minuten gepalaver met twee concurrenten kregen
we inderdaad 2700. Het verrassende was dat de pakjes van 100000 som vanuit het
dichtstbijzijnde stalletje naar de “frontman” vlogen, bij mekaar gehouden door
rekjes. In Oezbekistan vliegt het geld letterlijk door de lucht! En tellen
maar…

Morgen trekken
we naar Tasjkent, een relatief nieuwe Russische stad in een eeuwenoud land.

Samarkand, 11
juni 2013



Halloo, Samarkand?

nederlands Posted on Tue, June 11, 2013 04:52:36

Eindelijk, we
zijn zonder kleerscheuren in Samarkand aangekomen. Ik ben nu op de kop zeven
duizend kilometer gevorderd sinds we Harelbeke achter ons hebben gelaten. De
anderen hebben wellicht een kleine duizend kilometer meer op de teller, wegens
de uitschieter naar Cappadocië. Er resten ons, grosso modo, twee duizend
kilometer tot Alma Aty.

De weg
hiernaartoe, uit Bukhara, is marginaal beter dan de vorige dagen, al was het
enkel omdat er over omzeggens de ganse afstand (250km) een dubbele tweevaksbaan
ligt, met minder slechte stukken dan we gewoon zijn geraakt. Maar toch is het
een inspannende rit gebleken wegens: meer auto’s op de weg, meer mensen langs
(en op) de weg, drukkende hitte en vermoeiende helderheid van de lucht.

Vooral de dichtere
bewoning rond deze grote verkeersas die Bukhara met Tasjkent verbindt, is zeer
opvallend. Dat heeft te maken met het feit dat er in Oezbekistan zo’n slordige
34 miljoen mensen wonen – van uiteenlopend pluimage trouwens. Waar de grond
niets beters toelaat, daar is er overal katoen gepland. Hier en daar staat er
ook tarwe. Op de akkers werken quasi-uitsluitend vrouwen, maar op lang niet
alle akkers is er activiteit, en na de middag valt het stil.

Als je ergens
halt houdt op een pleintje naast de weg, is de kans groot dat een hoop kinderen
naar je auto schieten om in luidkeels koeterwaals te bedelen. Ik heb de indruk
dat het veelal Tajiken zijn, een etnische groep die in het zuidoosten een stek
heeft,en tevens in Tajikistan en Noord Afghanistan wonen, beiden op een
boogscheut van hier. Deze mensen spreken trouwens geen Oezbeeks maar wel Farsi,
een Perzische taal. Waar al de mannen van dit land zich schuil houden, zou ik
niet weten.

Vier uur hebben
we erover gedaan, met respect voor de snelheidsregels (en voor de staat van de
weg!). Twee wagens hebben onderweg een bekeuring gekregen. Het binnenrijden van
Samarkand was een oefening in slalommen, toeteren, stof en uitlaatgas slikken
en wat sakkeren. Het is duidelijk dat deze stad overal leeft, en snel uitdijt. Op
het eerste zicht is het een mooie en nette stad. Het toerisme zal daar niet
vreemd aan zijn. Trouwens is ook de kwaliteit en de grootte van de huizen en gebouwen
net een knoopje meer. En ons hotel? Dat is écht een hotel, met alles erop en
eraan – voor een prijs.

Toch was het
bij aankomst reeds klein alarm: diesel! Juist, brandstof vinden, diesel dus.
Volgens de gids is er in gans de stad (vijfhonderd duizend inwoners) slechts
één pomp met een voorraad diesel. Volgens diezelfde gids had de hotel manager
al deze diesel van die pomp voor de Vlasroute gereserveerd. We zouden als de
weerlicht moeten gaan tanken, zoniet was er misschien geen diesel meer te
vinden …!?

Het had wat
voeten in de aarde voor we weg waren: de stad terug door, de stad uit en dan
nog verder. Na twintig minuten waren we er. Nieuw probleem: geen “power” voor
de pompen. Alles geraakt hier wel opgelost, mits een beetje geduld. Toen de
diesel eindelijk in onze tanken stroomde, kwam de volgende verrassing: twee
dollar per liter (ter vergelijking, in Turkmenistan, betaalden we twintig
eurocent). In lokale munt betalen kon ook, maar dan werd de wisselkoers met 20%
in ons nadeel aangepast. Wie wordt er allemaal rijker van?

Met al deze
vertragingen is het bezoek aan het mausoleum van Timoer Lenk afgelast. De groet
aan de stichter en Khan (of Emir) van het
laatste verenigde Centraal-Aziatische Rijk is daarmee uitgesteld tot morgen.
Een voorstelling van Oezbeekse klederdracht met volksdansen gaat wel nog door.
Het wordt eerder de typische toeristenkost met eenvoudige pasjes en dito
muziek. De klederen, naar modellen uit de zestiende eeuw, waren dan wel
betoverend kleurrijk. Tot slot hebben we gegeten in het restaurant “De
Plataan”, regelrecht gekozen uit de Lonely Planet gids. Zonder meer aan te
bevelen: soep, beef, espresso, één glas witte wijn (geen voltreffer) en één
fles spuitwater gingen gezwind binnen, en dat alles voor tien dollar – duur
naar Centraal-aziatische maatstaven maar dit is dan ook Samarkand, met
hoofdletter!

Samarkand, 10
juni 2013



Next »